Opruimwoede

Casper stapt geluidloos de slaapkamer binnen. Schuifelend langs de rand van het bed telt hij het aantal passen naar zijn kant van de onverlichte kamer. De pijnlijke blauwe plek op zijn scheenbeen herinnert hem nog aan misrekening na de vorige ruzie. Zachtjes hijgend van de klim naar boven, ontknoopt hij zijn blouse en broek en schuurt zachtjes tegen de muur.
De ruzie was fel geweest, hij had met dingen gegooid, zoals hij vaker deed. Iris vergaf hem altijd.
Vloekend struikelt hij over een onverwacht obstakel naast het bed. Niet bij zinnen om zichzelf op te rapen, valt hij op de grond in een diepe slaap.

Iris hoorde hem zwaarhijgend de slaapkamer binnengaan. Casper kon nooit zachtjes doen, zeker niet als hij met de jongens had gedronken en hij in een kwade bui was. Toen ze het gekraak van de bovenste trede hoorde, had ze het dekbed nog verder over zich heen getrokken. Ze was ondertussen gewend om in de logeerkamer te slapen, na de zoveelste ruzie.
Ze hoorde hoe hij tegen de muur botste, waarschijnlijk in een poging zich van zijn kleding te ontdoen en voelde de houten vloer trillen toen haar aanstaande ex over de ingepakte koffers struikelde. Morgen begon de grote schoonmaak.

506 totaal aantal vertoningen, geen vertoningen vandaag

Het kerstdiner

Lodewijk nam even een adempauze. Met de palm van zijn linkerhand veegde hij de bloedspetters van zijn gezicht, pakte het cadeau met zijn naam erop vanonder de kerstboom en ging hijgend op de bank zitten. Hij dacht dat het deze keer makkelijker zou gaan. Met zijn plakkerige vingers scheurde hij het papier aan stukken. Ze hadden zich verzet, hij nam het ze deze keer niet eens kwalijk.
   ‘Ach, kijk nou. Deodorant en een kaartje; Fijne kerst van Harry en Mathilde. Kom op, Harry. Dat had beter gekund,’ zei hij en keek naar Harry, die aan de eettafel zat.
   Harry zei iets onverstaanbaars.
   Lodewijk stond weer op en plaatste de met bloed besmeurde kerstkaart op de schoorsteenmantel naast de andere wenskaarten. Hij raapte een stoel op, ging naast Harry aan tafel zitten, pakte een overgebleven glas rode wijn en nam er een flinke slok van.
   Harry keek hem met wijd opengesperde ogen aan en snoof hard toen Lodewijk zijn arm om hem heen sloeg. ‘Mooi uitzicht?’ fluisterde Lodewijk in zijn oor.
   De tape om zijn mond voorkwam dat Harry kon reageren. Met tranen in zijn ogen keek hij naar Mathilde. Het levenloze lichaam zat op de stoel naast hem. Wat voor het diner nog zijn vrouw was, was nu nauwelijks herkenbaar als mens. Harry bewoog wild op zijn stoel en probeerde zich los te wringen. Het touw sneed nog dieper in zijn polsen en enkels, hij kermde van de pijn.
   ‘Wat is er, buurman? Zit het touw te strak?’ Lodewijk stond op en pakte zijn bijl. Deze keer zou er niemand ontsnappen.

‘Wat leuk, een uitnodiging van de buurman.’ Mathilde toonde het kaartje aan Harry, die zijn aandacht meer bij zijn smartphone had.
   ‘Kerstdiner bij de buurman. Moet dat echt? We wonen hier nu bijna een jaar en ik heb die vent nog nooit gesproken. De gordijnen zitten altijd dicht, het is alsof hij niemand wil zien.’ Harry wreef verder met zijn duim over het schermpje.
   ‘Nou ja, het is toch aardig. Leren we de man wat beter kennen. Mopperkont.’
   Mathilde had Lodewijk een keer gesproken, toen ze drie maanden in hun nieuwe huis woonden. Tijdens de middagwandeling liep ze met de hond langs het hek en zag ze de buurman in de tuin spitten.
   ‘Druk in de weer, buurman?’
   ‘Ja, ja. Altijd even ontspannen na een hapje eten. Hoe bevalt het nieuwe huis?’
   ‘Prima, hoor. We hoefden gelukkig niet veel te doen, fijn dat alles al gestoffeerd en gemeubileerd was.’
   ‘Merel en Harm waren nette mensen, inderdaad. Net als de buren van verderop. Vrolijk Pasen nog, hé.’ Lodewijk stak zijn schop in de aarde en verstrooide het over een vers bedekt gat.
   ‘Jullie ook.’ Mathilde zwaaide naar Lodewijk en naar de vrouw die voor het raam stond te zwaaien. Lodewijk liet de schop vallen en wandelde rustig terug naar het huis.

Maaike raapte de post op van de deurmat.
   ‘Kijk, Hendrik. Een kaartje van de buurman van twee huizen verder. Of we bij hem willen komen brunchen op eerste paasdag.’