Miss Incontinentieverkiezing

Sinds 22 april van dit jaar zit ik grotendeels ziek thuis van mijn werk als bouwkundig tekenaar, 40 uur  per week staren naar 2 beeldschermen en werken met de muis. Blijkbaar is de lichamelijke limiet voor een tekenaar 21 jaar dienst. Na een jaar lang met pijn in mijn arm te hebben gelopen en diverse vruchteloze onderzoeken in het ziekenhuis, was het werk niet meer vol te houden. Sporten werd afgeraden en minder werken hielp ook niet.

Alle onderzoeken wezen uit dat ik kerngezond was. Hartstikke fijn om te weten dat ik geen enge dodelijke ziekte had, daar was ik ook niet bang voor tot op het moment dat ze dat zeiden, maar ondertussen verging ik van de pijn.

Nu ben ik wel het één en ander gewend, ook op het gebied van non-diagnostische onderzoeken: sinds 2002 leef ik met Fibromyalgie en Chronische Vermoeidheid. Tientallen bezoekjes aan artsen, ziekenhuizen, haptonomen, aroma therapeuten, ergo therapie en psychologen, verschillende diëten, veranderingen van bewegingspatronen. Een lang en moeizaam proces met hele diepe dalen en kleine hoogtepunten, veel onbegrip en veel steun van m’n lief, hartsvriendin en gezin.

De afgelopen jaren ging het eigenlijk steeds beter. Ik was afgevallen van broekmaat 44 naar 36 door te stoppen met antidepressiva wegens slaapproblemen, dieet en wilskracht en had steeds minder last van de Fibro waardoor ik steeds meer kon sporten, voornamelijk hardlopen met m’n hardloopmaatjes Miriam en Manon. Het ging zelfs zo goed dat ik me vorig jaar had aangemeld bij de Landmacht, als vrijwilliger bij de Nationale Reserve. Het uniform blijft me roepen. Helaas liep dat wat anders dan gehoopt en sta ik nog in de wacht.

Het advies van de artsen was om een revalidatieprogramma te gaan volgen, om “te leren leven met de pijn”. In eerste instantie kwam dat natuurlijk een beetje vreemd over: revalideren, waarvan? Niemand die een diagnose wil stellen, zelfs niet van de Fibro. Maar goed, ik wil alles proberen.

Een traject van 3 maanden met wekelijks fysio, psycholoog, revalidatiearts en ergo therapeut, zwaar maar heerlijk om weer te mogen bewegen en weer langzaamaan wat werk te kunnen doen.

Nu houdt dat bewegen in dat ik 3 keer per week een uur in de zaal bij de fysio aan wat gewichten sta te sjorren. Aangezien ik alleen halve ochtenden werk, kan ik dit mooi na werktijd doen en nog genoeg tijd overhouden om te lezen, schrijven en te slapen.

Doordat het bewegingsapparaat niet helemaal soepel loopt, voel ik me af en toe net een 70-jarige. Gelukkig sluit dat netjes aan bij de gemiddelde leeftijd van mijn lotgenoten in de zaal.

Op leeftijd zijnde mannen en vrouwen die, soms met behulp van zuurstoftank, onder begeleiding van de veels te enthousiaste fysiotherapeut een stepplankje op en af stappen, aangemoedigd door een ‘All right’ en ‘Geweldig’. Het bijzondere gevoel dat je eerst overviel toen de fysio je zo spontaan stond aan te moedigen, voelde een dag later als verraad bij het horen van exact dezelfde woorden bij een 80-jarige die op een skippybal 2 gewichten van een kilo aan Haar probeert te overhandigen.

Het besef op de zaalfiets, dat het niet je eigen zweet is dat je ruikt maar de gevulde incontinentieluier van de buurvrouw naast je. Of bij het binnenstappen van de kleedkamer, de blik strak vooruit als de diephijgende man net uit de douche stapt.

Bij elke oefening zie ik mezelf in van twee kanten in de plafondhoge spiegels. Ik voel me een jonge adonis, die z´n oefeningen staat te doen alsof ik een van de geblokte klerenkasten in de sportschool ben, terwijl de 70plussers voor m’n neus paraderen met hun rollators en zuurstofmaskers om door mij gejureerd te worden in de Miss Incontinentieverkiezing.

Ik weet niet wat ik erger vind: sporten bij de fysio of sporten in de sportschool met leeftijdsgenoten die als bronstige herten zichzelf in de spiegel staan op te geilen.

Zie, ginds komt de Kersthaas

Onderweg van werk naar huis wandel ik even snel de Albert Heijn in om onze broodvoorraad aan te vullen. Terwijl ik een winkelmandje van de stapel pak en het poortje openduw, valt mijn oog op een toren van kratten. De dagelijkse aanbieding, vlak bij het poortje om gelijk je doorzettingsvermogen te testen. Uiteraard besteed ik geen aandacht aan mijn automatische gedachte om, wat het dan ook is, toe te geven aan de verleiding, ik heb een heule sterke wil, en vervolg mijn weg.

Op dat moment besef ik wat ik eigenlijk in mijn ooghoeken heb gezien.

Serieus? Heb ik dat nou echt gezien? Nee, toch?

Verbaasd doe ik twee stappen terug en draai me om.

Kruidnoten!

Natuurlijk! Kruidnoten, waarom ook niet. Het is tenslotte de laatste week van augustus, nog maar 101 nachtjes slapen en dan staat Sinterklaas met zijn regenboog-Pieten hun lekkers in een van onze hoeken te gooien. Nog maar 102 nachtjes en dan zit deze Turkse seizoensarbeider alweer op de boot naar huis, om de rest van het jaar onze kleine kinderen in de gaten te houden: ‘Lieve Kitty, Arie was weer lekker stout dit jaar, die zal ik eens mee naar huis nemen.’

Hoofdschuddend sla ik mijn handen voor m’n gezicht en vervolg binnensmonds mompelend mijn weg in de supermarkt. Als je tegenwoordig in jezelf loopt te mopperen, kijkt niemand meer op of om omdat men denkt dat je handsfree loopt te bellen.

Nu wil ik natuurlijk niet overkomen als een ouwe zemelaar, maar wat een idioterie. Hoe moet je kinderen uitleggen dat ze nog maar 3 maanden hoeven te wachten op hun cadeautje, terwijl een gemiddeld kind een tijdsbesef van maximaal 6 nachtjes heeft. Als het snoepgoed al in de winkel ligt, moet Sinterklaas toch ook al onderweg zijn, toch?

‘Vroeger’ lag het volgens mij uiterlijk 6 weken in de winkels, mijn tijdsbesef was natuurlijk bovengemiddeld. Genoeg tijd om opgewonden te raken van het feit dat de lang bebaarde ridder op het witte paard in zijn jurk en puntmuts met zijn zwarte knechten al bijna stonden te huppelen op het dek, net genoeg tijd om je flink misselijk te eten aan taaitaai poppen en kruidnoten die je van de straat kon rapen en net genoeg tijd om een wenslijstje te maken van drie cadeautjes en met de postkoets te versturen.

Nu met 101 nachtjes de tijd, moet een kind de maand voor pakjesavond naar de sportschool om vijf kilo suikergoed weg te trainen, anders past het niet eens in die zak van Sinterklaas.

Het liefst zou ik de bedrijfsleider willen aanspreken en deze meneer eens duidelijk maken dat dit nergens op slaat. Dreigen, want dat hoort tegenwoordig natuurlijk, dat ik een e-mail naar de Sint zal sturen om te klikken dat hij stout is geweest, of Piet misschien nog een opbergplaats voor zijn roe nodig heeft.

Amper bekomen van de verdwaalde vreemdelingen die we wél welkom heten, heb ik voordat de maan door de bomen schijnt ook al keuze uit diverse smakelijke artikelen die gesponsord worden door die andere baardmans. Een colonne van lichtgevende vrachtwagens zal de supermarkten van voorraad voorzien, zodat de paar nog openstaande aders ook nog kunnen dichtslibben.

Mocht dat nog steeds niet gelukt zijn, kan ik me nog altijd tegoed doen aan het chocolade festival dat Valentijnsdag en Pasen heet en dat vanaf januari al in de winkel vertegenwoordigd zal zijn.

De ware geest van deze ‘feestdagen’ is allang vervlogen, om maar niet te spreken over veranderingen in ‘tradities’: die man met zijn rode pak en rendieren stond B.C. heus niet tussen de Kelten cadeautjes uit te delen. Commercie heeft onze fantasie verpest, ons geloof geïnfiltreerd en ons gevoel van samenzijn verpest door zich in te kopen in onze ‘tradities’. De angst voor verandering toont onze ware kleur. Nog 99 nachtjes om mijn wenslijst te e-mailen naar Sinterklaas en de Kerstman. Ik zet mijn schoen alvast, met een tekening voor de Kerstman en een verrassingsei voor de Paashaas terwijl ik met een handje kruidnoten in de hand mijn abonnement van de sportschool verleng.

Vermaeck ende Vertyr

Deze week is het Sail Amsterdam, iets waarvan mijn hart toch wel sneller gaat kloppen. Om meerdere redenen.

Nou sta ik niet bepaald bekend om mijn zeebenen. Sterker nog: op het voor anker liggende VOC-schip ‘Batavia’ in Lelystad loopt mijn gezicht bij de minste beweging groengeel aan van de misselijkheid en zak ik bijna door mijn benen door de knikkende knieën. Dat heeft me er niet van weerhouden het schip al drie keer te hebben geënterd. Ook het zien bouwen van de ‘Batavia’ had iets magisch als tiener met interesse voor bouwkunde en de Marine. De fantasie loopt met je weg als je de torenhoge masten vanaf het dek aanschouwt, de kilometers scheepstouwen, kanonnen en houtbewerkingen ziet, fantasie genoeg om een nautisch verhaaltje te schrijven.

Ambities van een carrière bij de Marine bleken al op jonge leeftijd een illusie te zijn toen ik in mijn rubberbootje over de woeste Oude Rijn peddelde en menig zandschuit nog maar net wist te missen, ook mijn feitelijke afkeuring voor de dienstplicht (ja, zo oud ben ik) was natuurlijk een onoverkoombare hindernis als je bij enig leger onderdeel wilt.

Toch raak ik nog steeds in vervoering bij het zien van Marinetuig of alles met één of meerdere masten. Het blijft een magisch gezicht als je de ‘Batavia’ of de ‘Amsterdam’ ziet liggen in de haven, of wanneer de machtige Kruzenstern voorbij komt glijden. De Temeraire reeks van Naomi Novik spreken mij dan ook weer aan om diezelfde reden, de aanwezigheid van draken maakt het dan weer extra leuk, ook televisieseries als Hornblower spreken mij tot de verbeelding, Ioan Gruffudd maakt het daar dan weer extra leuk.

Iets minder heb ik dan weer met menig Shantykoor. Een groep, bestaande uit voornamelijk mannen, die uit volle 55+ borst met volle overtuiging bulderen over Piet Pieterszoon Heyn en hoe groot zijn daden wel niet benne. Leuk voor op de achtergrond, maar snel weer doorlopen. Ook het verafgoden van de VOC mentaliteit is niet iets om trots op te zijn natuurlijk, ongeacht context of tijdgeest.

Ook het moderne wapentuig heeft toch wel een plekje in mijn hart. Meerdere malen hebben we een bezoek gebracht aan de Marinedagen in Den Helder, om van zeer dichtbij te voelen en ervaren hoe het is om op zo’n schip te verblijven. Zelfs mijn zoon koos voor een opleiding bij de Marine, iets waar ik natuurlijk geen enkel probleem mee had. Al snel bleek dit toch niet de juiste keuze en is hij nu zeer tevreden met een opleiding als monteur. Gelukkig hebben we de foto’s nog.

Een andere reden, die Miriam en Ann volmondig zullen bevestigen, is de bezetting van deze prachtige schepen. Honderden mannen en vrouwen die keurig in matrozenuniform of officierenuniform de schepen opvullen, de wandnetten op rennen, zeilen hijsen en commando’s blaffen om vervolgens de kades en steden onveilig te maken.

Een gezellig dagje winkelen in de Kalverstraat krijgt toch wat extra’s wanneer je de winkel uit wandelt en je opeens omringt bent door zo’n 20 matrozen, knikkende knieën om een andere reden.

Ik bedoel, zeg nou zelf, hè, dat bedoel ik.

Niet alleen heb ik diep respect voor mensen die hun leven willen riskeren, hun leven in dienst zetten van de medemens (zowel Politie, Brandweer, Ambulance als Defensie), zonder de held uit te hangen of daar een heldenstatus voor willen (ik probeer me er nu gewoon uit te praten, dat mag wel duidelijk zijn), het oogt natuurlijk ook nog eens plezierig. Begrijp me niet verkeerd: ik ben faliekant tegen oorlog en geweld, maar heb wel wat met uniformen en parades. Het liefst zou ik zo in de rij springen en meedoen, iets wat dan ook een ‘work in progress’ is.

Tot die tijd gaat deze Piet Piraat genieten van Sail en ik moest geloof ik nog naar Waterstone’s.

50 Shades Of White

Ondanks mijn stevige wandelschoenen, hoog opgetrokken witte sportsokken, zwarte T-shirt met Pearl Jam opdruk en mijn driekwart korte broek is toch nog wat van mijn belachelijke witte huid zichtbaar.

Mijn gereedstaande medereizigers zetten spontaan hun zonnebril op als ik het vakantiehuis verlaat. Zelfs de vuurtorenwachter dooft zijn licht bij het zien van dit helse licht, de schepen zullen Schiermonnikoog zonder twijfel zien liggen.

Bewapend met twee flessen factor 50 zonnebrandcrème begeven we ons naar het strand, om daar vijf minuten later aan te komen. Nog een kwartier later komen we eindelijk aan bij de zee.

Het strand ligt bezaaid met lichamen van moegestreden toeristen, uitgeput van hun dagelijkse routine. De lucht is gevuld met felgekleurde dansende gevaartes, die in bedwang worden gehouden door gespierde jongemannen. Van zeehonden is geen spoor te vinden, vermoedelijk schuilen die allemaal in Pieterburen.

Voorzichtig vlei ik me neer op mijn eveneens spierwitte badlaken, ontdoe me van mijn lichaamsbedekkende kleding, uitgezonderd mijn Speedo natuurlijk, en verdeel één van de flessen over mijn armen en benen, je zal toch maar een kleurtje krijgen.

De twee 3-jarige mini tornado´s spelen Duitsertje en graven dat het een lust is, oma bakt zandgebakjes terwijl opa luchtkastelen aan het bouwen is. Mijn 18-jarige zoon overtuigt zijn vriendin ervan een duik in de Waddenzee te nemen en sleurt haar onder ‘protest’ mee de branding in. Onze Noor staat al tot zijn middel in het koude water en kijkt om zich heen, op zoek naar ons avondeten. Tante ´Iske´ fungeert vanmiddag als Stormchaser en probeert de Minions bij te houden, terwijl haar zus gebruik maakt van de bliksemafleiding en haar Noor opzoekt.

Met mijn boek in de lucht probeer ik met mijn glibberige vingers een pagina om te slaan en geniet van de geluiden om me heen. Een onophoudelijke muur van geluid in alle talen, aangevuld met een ‘Nouhou, die is van mij…’ of een ‘Niet doehoen…’ van de mini tornado’s.

Na een korte koude duik tussen de glibberige beesten, kwallen en wat zeebewoners die op mijn twee bakens afkomen, bestorm ik de kust. Ik droog mezelf af, verdeel de tweede fles over mijn lichaam en graaf mijn eigen kuil wanneer ik mijn rug aan de zonnegod opoffer en ga weer verder met lezen.

Hoelang duurt het eigenlijk voor een mens gaar is? Volgens mij zit ik teveel op Thrillerlezers.

Mijn gedachten schieten alle kanten op: een volgend verhaaltje, een leuke anekdote, kan ik dit verwerken in een 6-woorden uitdaging?

Even verderop ontvouwt Bert Visscher zijn handdoek. De goedlachse tornado is hier ook gewoon maar een mens. Even weg van het land. Even terug naar Schier.

Na 2,5 uur is het kookpunt bereikt. Snel trek ik mijn sokken en andere lichaamsbedekkende kleding weer aan en onder het genot van een ijsje wordt de sprint naar het huisje ingezet. Het moet natuurlijk niet te gek worden.

De vuurtorenwachter zal vanavond een schemerlampje moeten aanzetten om wat bij te schijnen.

Prinses op de wortelen met doperwten

Ik vrees dat dit is wie ik ben.

Zo´n persoon die met een bladblazer de blaadjes aan het ruimen is, tijdens een herfststorm.

Zo´n iemand die broodkruimels van de keukenvloer raapt, terwijl om zich heen de steppenrollers voorbij vliegen alsof je op de filmset van een slechte Western staat.

Zo´n figuur die de helpdesk van de internetprovider belt en die vervolgens zelf de verbinding verbreekt omdat de helpdeskmedewerker vraagt het modem te herstarten en vergeet dat de telefoon in hetzelfde verlengsnoer aangesloten is.

Eentje die uren achter elkaar voor een scherm zit en erachter komt dat 1.00 plus 1.00 echt 2.00 is.

Iemand die zit te giechelen als een 16-jarig meisje wanneer er zich weer eens een flauw idee in zijn hoofd borrelt en het eigenlijk nergens om gaat.

Ik vind het zo heerlijk om me te verliezen in de kleine details dat ik af en toe het groter geheel niet zie, of eigenlijk niet eens belangrijk vind. Het is zo geweldig genieten van grafieken, statistieken, formules en regeltjes dat de uitkomst niet eens belangrijk is, zelfs tegen kan vallen. De weg naar de uitkomst is meer genieten dan het resultaat, alhoewel de dag natuurlijk helemaal compleet is als de uitkomst klopt. Als de uitkomst eenmaal gevonden is, is de interesse vaak net zo opgelost. Gebeurd, klaar, over. Volgende.

Feitelijk is dat zo met meer dingen: de weg naar het concert kan soms zelfs leuker zijn dan het concert zelf, de inspanning om het doel te bereiken kan soms leuker zijn dan het doel zelf.

Ook met schrijven heb ik dat vaak. Ik kan me zo focussen op grammatica, spelling en het verzinnen van karakters dat de verhaallijn volledig aan me voorbij gaat. Uren zit ik te turen naar een half perfect uitgewerkt A4-tje om vervolgens een week later met een nieuw verhaal te beginnen. Het is een kwestie van trainen, denk ik. Blijven proberen, blijven oefenen, misschien toch nog een workshopje erbij.

Maar in mijn hart ben ik nog steeds dat 32-jarig jongetje dat met een digitale schuifmaat giechelend zijn Lego poppetjes zit te meten en na te tekenen, het gaat nergens over maar het is zó leuk!

Over lijden

Hoe ziekte een gezin laat lijden

Machteloos toezien hoe een geliefde een niet te genezen pijn heeft

Verzachtende woorden die de ziel sterken

Woorden die tot op de botten raken

Het hart wil nog wel

‘Vergeet niet te zeggen dat je van iemand houdt, vandaag kan je laatste kans zijn.’

Het Woord dat je raakt in het hart

Hoe een ziekte een gezin verscheurt

Lijden is zo eenzaam

De lijdensweg vol helpende handen

Als iedereen weg is vloeien de tranen, als je denkt dat niemand kijkt

Lijden als je haar in stilte ziet huilen

Hoe ziekte een gezin bij elkaar brengt

Gedane zaken nemen geen keer

Vergiffenis is een verlossing

Acceptatie een noodzaak

Onbevangen en onvoorwaardelijk trouw

Heengaan is weer net als thuiskomen

Tranen van verdriet en vreugde

Vreugde dat de pijn voorbij is

Verdriet dat de ziel naar huis is gegaan

De herinneringen sterken de ziel

De pijn blijft achter en wordt gedeeld

Het lijden is over.

Je verwacht het niet

Daar sta ik dan.

Om tien uur in de ochtend.

De deegroller in de aanslag.

Een minuut rollen.

Een minuut rust.

De buurvrouw aan de overkant ziet me bukken en overeind komen.

Het schaamrood verschijnt op m’n gezicht.

Een minuut rollen.

Een minuut rust.

Als ware ik Menno ga ik in de aanval.

Het vlees begint al soepel te voelen.

Nog een paar keer.

Een minuut rollen.

Een minuut rust.

Sodeknetter, je moet wat offers maken.

Het bloedt nu toch al goed door.

Een minuut rollen.

Een minuut rust.

Volhouden, nog maar één keer.

Ik krijg het gevoel dat ik in de maling wordt genomen.

Een minuut rollen.

‘Heb je een deegroller?’ vroeg de fysio.

‘Een deegroller? Nog niet,’ antwoordde ik verbaasd.

‘Koop een deegroller en ga iedere dag vijf keer een minuut over de knie, maar alleen om tien uur of vier uur. Daar zou de pees van moeten herstellen.’

Ik ga me alvast aanmelden voor Heel Holland Bewerkt Zijn Knie.

Vakantiestemming

Nog even en dan gaan we weer eilandhoppen.

Voor de tweede keer in een korte traditie laten we ons luxe leventje in de Randstad achter en laten we onze luie lichamen stranden op het prachtige eiland Schiermonnikoog.

Sinds een paar jaar mag ik met de complete schoonfamilie op vakantie naar een eiland.

Het begon jaren geleden op een van de prachtige Noorse eilanden van de Lofoten. In het plaatsje Nusfjord, vlakbij het plaatsje Å. Schitterende natuur, prachtige bossen die op dat moment van kleur aan het veranderen waren, wilde elanden, sneeuw en indrukwekkende fjorden. Fantastisch, wat een plek. Als je als schrijver op zoek bent naar een oase van rust en inspiratie zou deze plek zeker in de top 1 staan.

Na een autorit van 13 uur vanuit Tromsø, inclusief een overtocht met de veerboot, kwamen we diep in de nacht aan bij het vakantiehuis. Twee volgepakte auto´s met alleen het hoognodige; warme kleding, wat spelletjes en wat leesvoer. Ons verblijf bevond zich in het haventje van het piepkleine plaatsje, vanwaar in vervlogen tijden de vissers de Noorse Zee bevisten. De vangst werd vervolgens op de oevers van de fjord gedroogd en gerookt. Het huisje zag er traditioneel Noors uit en was ook eenvoudig ingericht, verstoken van enige luxe: een zitgedeelte, eetgedeelte en wat slaapkamers met stapelbedden was het Noorse begrip van Center Parcs.

Al snel maakte we kennis met de Noorse gastvrijheid. Onze Noor, mijn zwager, stond na aankomst al in de keuken om een maaltijd te bereiden. Een ietwat vreemde gewaarwording voor het Hollands gezelschap die al zowat in bed lag. Het verdere verblijf bestond uit ontspannen wandelingen, een riskant vistochtje tussen de fjorden, veel Aquavit, spelletjes, fantastisch eten en gewoon heerlijk ontspannen.

Vanwege dit succesvolle uitje was het idee geboren om jaarlijks met de schoonfamilie op vakantie te gaan. Waren we toen nog met z´n achten, ondertussen was het gezelschap uitgebreid tot twaalf personen, waaronder twee peuters,en viel de keuze op het Nederlands equivalent van de Lofoten: de Waddeneilanden. Minus de fjorden, bossen, elanden en sneeuw lijkt het als twee druppels Waddenzee op de Lofoten.

Om de beleving compleet te maken werd gekozen voor Schiermonnikoog. Een eiland dat je terugvoert naar de hippietijd van je ouders toen zij stickies rookten en ‘make love, not war’ riepen naar iedereen die het niet wilde horen, waar gemotoriseerd vervoer iets is dat alleen in folklore voorkomt, waar de bioscoop bestaat uit de aula van het plaatselijke gemeenschapshuis waar de kaartjes verkoper, kaartjes knipper, snack verkoper en projector bediende dezelfde persoon is, waar iedereen vroeg in de ochtend in huifkarren naar het strand trekt onder begeleiding van Jan met zijn gitaar die gepassioneerd ‘Kumbaya My Lord’ zingt en ’s avonds weer in dezelfde huifkarren met Jan en zijn gebroken gitaar weer naar het dorpscentrum trekt.

Daar, tussen die hippies, komt het gezelschap uit de Randstad aan. Bepakt en bezakt met de inhoud van drie auto’s met alleen het hoognodige: ieder zijn eigen laptop, zijn eigen e-reader, twee spelcomputers, ieder met zijn eigen mobieltje naarstig op zoek naar de inlogcode van de wie-fie, speelgoed genoeg voor een kleuterklas en ieder een korte broek of bikini. Waar opa en oma na bijna 40 jaar huwelijk elkaar verliefd aankijken: ‘Wat doen we vanavond, schat. Jouw ipad, of mijn ipad’. Mijn zoon laat zijn hoofd uit schaamte met een luide zucht zakken. Waar onze Noor elke ochtend begint met bereiden van het avondeten, waar de plaatselijke vishandel is gewaarschuwd is voor onze komst zodat ze niet nog eens hoeven te vragen of ze alsjeblieft nog één stukje mogen houden zodat de rest van het eiland ook nog wat heeft.

Waar, ondanks alle luxe die we niet kunnen missen, het echt genieten is van een dagje op het strand, je heerlijk kunt fietsen en wandelen. Waar naar de bioscoop gaan nog echt een belevenis is. Waar je alleen kunt zijn met een schriftje op schoot en kunt luisteren naar de golven die zicht op het strand gooien. Waar het heerlijk vertoeven is met een glas wijn op het terras terwijl je kijkt naar langstrekkende huifkarren en andere Randstedelingen die hun kroost naar het avondverblijf drijven.

Schiermonnikoog. Ik kan niet wachten.

Een barre tocht

In mijn wielerkleding zie ik eruit als Robert Gesink, althans qua kleding dan of misschien meer als Laurens Ten Dam. Mijn zorgvuldig opgeslagen wintervet gaat verhult in een iets te strak wielershirt met korte mouwen, de spierwitte armen zijn het bewijs dat er nog niet veel kilometers in de benen zitten. De zeem in het zwarte korte broekje met galgen is ingevet voor de lange zit. De drie zakjes op de rug zijn gevuld met reservebanden, boterhammen en snacks voor de broodnodige snelle energie. De bidon is gevuld met zoveel sportdrank dat menig kind een week door het huis zou stuiteren. De fiets hangt al weken klaar in de schuur, elk onderdeeltje zorgvuldig gepoetst en gesmeerd, de afgetopte handschoentjes en de helm hangen klaar aan het stuur. De route zit in mijn hoofd, de fiets-app op mijn mobiel staat klaar voor gebruik zodat ik na de rit de ogen van al mijn Facebook vriendjes en vriendinnetjes de ogen kan uitsteken.

De herinnering aan vervlogen fietstochten houdt me al weken bezig. Jezelf met een snelheid van 90 kilometer per uur op twee dunne bandjes van een berg storten, met de kin op het stuur en handen in de beugels je zo klein mogelijk maken, tranen in je ogen door de snelheid, snel moeten reageren als net na de bocht onverwachts een auto in tegengestelde richting je de weg wil versperren. Je compleet stuk rijden tegen een berg, nou ja, heuvel. Je met lood in je benen omhoog werken, samen met honderden andere Laurens Ten Dammen, het publiek dat je in de berm staat aan te moedigen. ‘Kom op! Je kunt het! Je bent er bijna!’ schreeuwen ze onderaan de berg. Doe het lekker zelf, denk je na de vijfde berg. Na berg nummer twaalf gaat elke trap vergezeld met een ‘Oef’, ‘Tsss’ en ‘Kom op!’. Toeschouwers langs de weg lachen je na. ‘Nee, jij ziet er lekker uit.’ Zeven uur later kom je compleet leeggezogen, uitgeblust en uitgeput na 180 kilometer over de finish als nummer 135 van de 400. Man, dat waren nog eens tijden.

Vol goede moed stap ik op de fiets en klik me als een prof vast aan de pedalen. Eerst maar windje tegen zodat ik naar huis windje mee heb. Het is nog lekker vroeg op deze zondagochtend dus weinig kans op bekenden.

Na 45 minuten wordt de eerste vermoeidheid al voelbaar, ik moet er nu toch al bijna 25 kilometer op hebben zitten. De kilometerteller toont aan dat de interne meter een ander wielformaat heeft, 17 kilometer pas. Langzaamaan beginnen de benen al zwaar te worden, de verzuring treedt al snel op tegenwoordig. Wat snelle energie zou moeten helpen.

Na een kwartiertje pauze gaat de rit verder. Windje mee nu. Weer een stoplicht. Het zitvlak protesteert bij elk rood licht. Niet stoppen, rij nou door, anderen doen het ook. Met een stekende pijn neem ik weer plaats op het zadel als het licht op groen springt.

Nog 10 kilometer. Oh, vervloekt. Die brug. Ik kom uit het zadel en begin de Col de la Tourette als een ware Kenny van Hummel. ‘Kutbrug, verdomme!’. Eenmaal over de bergtop helpt de zwaartekracht me naar de finish. Uitgeput en duizelig stap ik na twee uur van de fiets en loop met luid geklik naar de schuur.

Mijn fiets zet ik naast mijn andere, lekstaande fiets. De spinnenwebben tonen aan dat er weinig kilometers op de teller staat.

De lege bidon zet ik op het aanrecht. Ik gooi mijn fietskleding in de wasmand en na een douche val ik in slaap op de bank.

Een klein ritje voor de mensheid, een grote overwinning op mezelf.

Gevaarlijke spin loopt vrij rond

Zoals elke ochtend begon ik de digitale dag op NOS.nl, even op mijn gemak de koppen doorlopen.

Eerst kijken of er nog belangrijke verschuivingen in de Tour de France zijn natuurlijk.

Vanuit een ooghoek zie ik bovenstaande kop staan. In eerste instantie zag ik alleen ‘gevaarlijke spin’, maar als snel zag ik de volledige kop! Een gevaarlijke spin in Rijnsburg?! Wat krijgen we nu?

Snel doorklikkend blijkt er een exemplaar meegelift te zijn uit Zuid-Amerika. Twee medewerkers hadden het dier aangetroffen bij een lading bloemen in de bloemenveiling bij mij om de hoek, nu is Rijnsburg niet echt een grote plaats dus alles is bij mij om de hoek. Diervriendelijk zoals ze zijn hebben ze het ongedierte in een naastgelegen bosje vrijgelaten. Hartstikke lief.

Nu moet je weten dat ik vrij weinig met kleine diertjes heb. Honden, katten, paarden, olifanten zijn schattig, lief en leuk om naar te kijken of op je schoot te hebben, maar alles kleiner dan een chihuahua zorgt bij mij voor jeuk op vervelende plekken. Sterker nog, ik roep mijn vrouw erbij als er weer eens van dat achtpotige tuig in mijn gezichtsveld verschijnt. Zelfs van die hele kleine, mini beestjes die vliegensvlug over het behang marathons aan het rennen zijn zorgen voor zweetdruppels.

En nu loopt er zo’n Shelob vrij hier in de natuur. ‘Het beestje is dodelijk, maar de kans is nihil.’ Waarom zeg je het dan?!

De 400 meter van kantoor naar huis zijn toch zeer bedachtzaam verlopen. Ik hou het hoofd normaal gesproken al naar beneden, maar nu helemaal. Zal je zien dat het mormel je vanuit een boom bespringt. Springen! Mijn hemel. De gedachten al dat je het tegenkomt, je het met de grootste moed probeert te verjagen en het kreng springt naar je toe, brrrrrr.

Thuis open ik voorzichtig elk kastje en verwacht elk moment in een cocon verpakt te worden, een lekker snackje voor later, genoeg eten voor een maand. Alsof ik het dodelijke gif al door mijn lichaam voel vloeien heb ik een visioen dat ik in de auto zit en opeens vanuit een ooghoek iets op de schouder zie bewegen. Een gil, een ruk aan het stuur, een klap en zeg maar dag tegen Lex. De spin komt er zonder schade vanaf.

Ik herinner me ook een artikel van vorig jaar. Een Amerikaan had zijn huis laten afbranden. Hij zag een monsterlijke spin en dacht het beest te verdelgen met open vlam. Ik sta open voor alles.

Voorlopig blijf ik maar met de benen omhoog op de bank zitten met mijn fles water, ik kan 3 dagen zonder eten en heb een blaas als een kameel.

Of ik wacht gewoon tot mijn vrouw thuiskomt.

1,678 totaal aantal vertoningen, 5 aantal vertoningen vandaag