Onherkenbaar

‘Hé, pa. Hoe gaat het vandaag?’ Ik sloot de deur van zijn verzorgingsappartement achter me en stapte langs de keuken de woonkamer in. M’n vader zat zoals altijd in zijn favoriete stoel, de draaistoel van lichtbruin ribfluweel die alle verhuizingen sinds de jaren ’70 heeft overleefd. Haar stoel, een laatste herinnering aan ma.
‘Pa, hoe gaat het me je?’ Geen reactie. Met zijn grauwe staar keek hij afwezig door het raam naar het park tegenover de flat. Waarschijnlijk zat hij al een tijdje zo naar de buitenwereld te kijken. Op zijn schoot lag een puzzelboekje, in zijn linkerhand hield hij een pen vast. Pa hield van kruiswoordpuzzels, het hield zijn hersenen gezond zei hij altijd. Ik gaf hem een kus op zijn wang, maar het drong niet tot hem door. Met een hand op zijn schouder doorbrak ik voorzichtig zijn trance.
‘Dirk, jongen. Ik hoorde je niet binnenkomen. Ben je er allang. Zal ik koffie voor je zetten?’ Als uit een diepe droom wakker geworden, probeerde pa uit zijn stoel te komen.
‘Peter, pa. Blijf maar zitten, ik zet zelf wel koffie.’ Ik raapte het puzzelboekje en de pen van de grond en liep naar de keuken.
‘Mooi, mooi. Goed je te zien. Dat is een tijd geleden, hé.’
‘Pa, Dirk is gistermiddag nog geweest.’
‘Gistermiddag?’ Even bleef het stil. ‘Nee, dat klopt niet. Ik krijg nooit visite.’
De ongewassen kopjes op het aanrecht vertelden een ander verhaal. Mijn broer Dirk en ik wisselden elkaar elke dag af. Dirk was alleen niet zo van het opruimen. Hij vond het ook heel zwaar om zijn vader zo te moeten zien. Hulpeloos, een schim van de energieke man die onze vader was toen we opgroeiden. Ik zette mijn koffiekopje op de salontafel naast het puzzelboekje, die van mijn vader op het tafeltje naast zijn stoel.
‘Dankjewel, Dirk.’ Het oude draaimechanisme van de stoel kreunde terwijl hij zijn kopje van het tafeltje pakte. ‘Heb je Peter de laatste tijd nog gezien. Ik hoor zo weinig van hem.’
‘Ik ben Peter, Pa.’
‘Hoe is het je vrouw?’
‘Merel is overleden, pa. Al 4 jaar geleden. Met Mark is alles goed.’
‘Ach, ach. Verschrikkelijk. Gecondoleerd.’
‘Ik zal het aan Dirk doorgeven.’ Ik dronk mijn koffie op, schreef in het dagboek dat ik geweest was en maakte de kopjes schoon. Ik gaf pa een zoen op zijn wang en lag het puzzelboekje en de pen op zijn schoot.
‘Tot overmorgen, pa.’ Ik legde mijn hand op de deurklink, een traan rolde over mijn wang.
Pa draaide zijn stoel weer naar het raam.
‘Dag, Dirk.’

1,711 totaal aantal vertoningen, geen vertoningen vandaag

de pijn blijft

De slaapkamer staat er nog steeds hetzelfde bij, alles op dezelfde plek, onveranderd, een tijdcapsule.
De muffe geur die hoort bij een jongenskamer is ondertussen verdwenen. Die lichte zure lucht van sportzweet, examenzweet, angst voor meisjes en overmatig gebruik van deodorant.
Het dekbed ligt half opengeslagen op de hoogslaper. Het hoofdkussen is alweer bijna helemaal teruggeveerd in originele staat, de vorm van zijn hoofd nog licht herkenbaar door de vele gel en andere haarproducten die achter zijn gebleven op de kussensloop. De geur is nog onmiskenbaar aanwezig als je het kussen dicht tegen je aanhoudt, zijn geur. Zo anders als de geur toen hij een kind was, die geur waar je als ouder van volschiet als je denkt aan de onschuld, het hulpeloze, als je kind je echt nog nodig heeft.
Op de matras ligt een kabel van zijn laptop, vergeten mee te nemen naar school.
Het kladblok op het bureaublad ligt open, de pen ernaast, klaar om het huiswerk te maken waar hij nooit zin in had, dat hij eigenlijk nooit maakte. De inkt van het handgeschreven bericht doorlopen.

Ik pak het kladblok van het bureau, ga op het bed zitten en lees het bericht voor de 150e keer. Ik ken elk woord, elke spatie.
Het was nooit een prater, de geschreven woorden heb ik niet meer van me kunnen afschudden- uitzichtloos, radeloos, machteloos, reddeloos. Onvermogen om uit te leggen wat hij dagelijks doormaakte, hoe ze hem kapot maakte.

Het is een jaar geleden. Hij stapte de deur uit. Op weg naar school. De dagelijkse busrit, schuilen in de massa, eenzaamheid in de menigte.
Ik heb het echt niet zien aankomen. Je denkt altijd dat het iemand anders overkomt.
‘Doe je je best,’ mijn laatste woorden. Inhoudsloze betekenis. Mijn gedachten bij de dagelijkse eentonigheid van mijn werk. Mijn werk dat altijd voor alles ging, vrienden, familie, gezin. Egoïsme boven eenheid.
‘Jaha,’ zijn laatste woord. Geen knuffel, geen zoen, geen liefde. Een tiener.
Om elf uur die ochtend ging de telefoon. Nooit aangekomen op school. Mobiel onbereikbaar. Zijn verbinding met de wereld verbroken, onzichtbaar, gevlucht uit de hel. Rugtas en laptop zijn nooit meer gevonden, zijn lichaam onder de brug. Alle dromen voorbij.
Het pesten een stap te ver.
Zichtbaar lijden recht onder mijn ogen, verborgen littekens openlijk gedragen, niet in staat een uitweg te vinden.
Ik druk mijn gezicht diep in het kussen. Ik kan niet verder, zonder hem.

Deelnemer van de schrijfwedstrijd ‘stel je voor…’ van Heel Nederland Schrijft.

Door de jury genomineerd tot de 50 beste inzendingen.

http://www.heelnederlandschrijft.nl/lezen/de-pijn-blijft-3192

2,038 totaal aantal vertoningen, 2 aantal vertoningen vandaag

Het Aardappelgevecht

Het aardappelschilmesje ligt los in mijn rechterhand, de aardappel in mijn linker. De aardappel voelt zwaar, alsof ik in de sportschool aan de gewichten sta te trekken. Ik verzamel moed om het laatste gevecht aan te gaan.
Met verkrampte vingers probeer ik het gedrocht te omsluiten, maar ze buigen niet ver genoeg, waardoor het ding onhandig los in de palm ligt. Voorzichtig probeer ik het misbaksel te scalperen. Diepe wonden verschijnen in de aardappel en in mijn ziel. De vernedering maakt dat het lijkt alsof ik een ui sta te pellen.
De kracht die nodig is voor elke haal is uitputtend. Mijn arm wordt zwaarder, mijn vingers doen zeer. Het aardappelschilmesje kan ik nog met moeite vasthouden. Bijna over de helft. Het gaat me lukken.
Met een paar ferme krachtsinspanningen ligt de aardappel naakt voor me op het aanrecht. De schil in flarden verspreidt over de vloer.

Aardappel, wat een naam. Het lijkt niet eens op een appel: waar is het klokhuis, waar is de rups, heb je een appel wel eens zien spruiten. En spruiten zien er niet eens uit als de tentakels van een aardappel.

De andere slachtoffers liggen al verdronken op de bodem van de pan, die op het aanrecht staat. De laatste horde. Ik dacht dat de slag gewonnen was. De pijn in mijn armen zwelt aan als ik de pan met water en de drie in stukken gesneden aardappelen op het gasfornuis zet, met een druk op de knop knettert het vuur aan. Gelukkig wordt groente tegenwoordig in potjes gekweekt en vlees in kant en klare lappen. Een braadpan met vet en een pannetje voor de groenten kost weinig energie.

40 minuten later word ik wakker op de bank en vraag me af of de buren aan het barbecueën zijn.
De vrouw aan de andere kant van de lijn herhaalt mijn bestelling: een patat en een broodje kroket, over 10 minuten ophalen.

568 totaal aantal vertoningen, 1 aantal vertoningen vandaag

Gevallen

Marnix moest een paar dagen naar het buitenland voor zijn werk. Hij was de enige die verstand van zaken had, hij had het systeem tenslotte zelf opgezet. Het kwam hem eigenlijk wel goed uit zo voor kerst. Afgelopen zomer had hij al twee weken in Londen doorgebracht om de Britten in te werken. Ze waren de eerste buitenlandse firma geweest die zijn zelfontwikkelde programma wilde gebruiken. Bij een succesvolle deal was de kans groot dat het Amerikaanse moederbedrijf ook zou investeren. De meeste vragen wist hij daarna via de mail of via Skype te beantwoorden, maar wegens bezuinigingen was de enige Brit die zijn systeem een beetje begreep ontslagen en was er een goedkopere Pakistaanse kracht ingehuurd. Hij had warme gevoelens overgehouden aan de korte zomeronderbreking en kon eigenlijk niet wachten. Ook de gedachten Sandra weer te zien bezorgde hem een warm gevoel. Ze hadden contact gehouden en ze had hem goede tips gegeven over het programma, en soms alleen maar geluisterd als Marnix thuis weer eens bonje had.

Irene was niet rouwig toen ze hoorde dat hij weer naar Engeland moest. De kinderen konden heus wel een paar dagen zonder hun vader en Irene al helemaal, het meeste werk thuis deed ze sowieso zelf. Marnix was er alleen nog maar voor de verhaaltjes voor het slapen gaan, daarna verstopte hij zich weer in zijn kantoor op zolder om tot middernacht door te blijven werken. “De rest van de wereld draait gewoon door als wij slapen.” Hij had het iedere keer als excuus gebruikt, Irene twijfelde of dat de echte reden was.
Om het gemis van hun vader te compenseren hadden ze voor Charlène een Vlaamse reus gekocht. Het enorme beest was bijna net zo groot als Charlène. Het buitenhok nam dan ook een groot gedeelte van het terras in, binnenblijven zag Marnix niet zitten.
´Dat is toch zielig als hij buiten zit in de kou, papa. Als het straks gaat vriezen heeft-ie het toch hasstikke koud.’ sliste Charlène.
‘Hij heeft een hele dikke vacht, ik denk dat hij een beetje winter wel kan doorstaan,’ wuifde Marnix het bezwaar weg. Je geeft zo’n kind een huisdier, gaan ze nog eisen stellen ook.
Tobias was wat makkelijker te paaien. Het nieuwste Playstation spelletje was genoeg om de jongen tevreden te houden. Eigenlijk was het tegen zijn principes om voor een 15-jarige een 18+ spelletje te kopen, maar nood breekt wet en zijn leeftijdsgenoten hadden het spel allang in huis. Dagelijks zat Tobias op zijn kamer voor zijn 40 inch tv te gamen. Het enige contact met de buitenwereld ging via de headset. ‘Ik heb vrienden genoeg als ik online ben, laat me met rust.’ Tobias kwam alleen nog naar beneden voor het avondeten en verdween dan snel weer snel zijn kamer in waar zijn vrienden al te horen waren via de headset. Precies zijn vader, dacht Irene.

Het leeftijdsverschil van tien jaar was eigenlijk te groot. Charlène was een nakomertje, Tobias een Bacardi & Cola teveel. Tobias zat al drie jaar in de puberteit, Charlène was daar als 5-jarige nog ver van weg, maar het vooruitzicht nog minstens vijftien jaar omgeven te zijn met puberende tieners en een afwezige vent zou elk weldenkende vrouw aan het drinken zetten.
Gebrek aan vrije tijd en rust in huis eiste zijn tol. Irene was om de haverklap ziek, had regelmatig last van hevige migraine en moest met regelmaat vrij nemen van haar fulltime baan bij het belastingskantoor. Gelukkig had ze fijne collega’s die haar werk overnamen als het weer eens mis was. Ontslag nemen zat er niet in, alles ging naar het gezin en naar het bedrijf van Marnix en zijn partner Pascal.

Marnix stapte in zijn slippers, pakte zijn winterjas met bontkraag en haalde een pakje sigaretten uit zijn binnenzak.
Irene stond in de keuken de vaatwasser in te ruimen en vulde het waterreservoir van het koffiezetapparaat. ‘Ging ze makkelijk slapen?’
‘Ze vindt het jammer dat ik weg moet maar het konijn maakt veel goed. Henk is een succes. Ze sliep al voordat ik het verhaaltje uit had.’ Charlène had de naam zelf gekozen, Henk zat bij haar in de klas en ze was een beetje verliefd op hem.
‘Hoe laat gaat de trein ook alweer?’ Het leek alsof Irene niet kon wachten tot hij weg zou zijn.
‘Om half tien vertrekt de trein, ik kan nog rustig een peukje en een mok koffie doen. Pascal heeft het treinkaartje voor me geregeld. We hebben niet eens geld voor een vliegticket. Volgende keer mag hij zelf op station Brussel overnachten.’
‘Heb je Tobias al dag gezegd?’
‘Hij zit te gamen met zijn headset op. Hij stak zijn hand op toen ik doei zei.’
Irene zuchtte en schudde haar hoofd. ‘Mannen.’ Ze gaf hem zijn mok koffie. Melk en vier klontjes suiker, zoals hij het graag had. “Voor de liefste papa” stond op de mok, een Vaderdagcadeau van Tobias.
Marnix liep de tuin in, de winterkou overviel hem. Henk zat onverstoord in zijn hok te knabbelen aan wat stro. Het betegelde pad naar de schuur was glad door de opvriezende regen die vandaag gevallen was. De bewegingssensor bemerkte zijn aanwezigheid en zorgde voor een zwak licht, genoeg om het sleutelgat te vinden. Met de onaangestoken sigaret in de mond en de koffiemok in de linkerhand opende hij de deur met zijn rechterhand.
De eerste stap in de onverlichte schuur werd hem fataal. Vlak achter de drempel struikelde hij over de gereedschapskist die Irene die middag had neergezet. Uit evenwicht gebracht liet hij de mok uit zijn handen vallen, en zocht naar houvast. Met een klap spatte het cadeau uit elkaar. Voorover vallend zocht hij steun bij de werktafel maar de ruimte waar de tafel stond was leeg. De werktafel was verplaatst en hij smakte op de grond. Een ijzige gil volgde toen de eerste muizenval in zijn huid hapte, gevolgd door tientallen andere. Zijn gezicht, zijn handen, andere meer gevoelige delen, niets ontsnapte aan de met muizenvallen gevulde vloer. Irene was grondig geweest, hij mocht best een beetje lijden. Tijd om te beseffen wat er aan de hand was kreeg hij niet. De zware werktafel viel om en landde bovenop zijn rug. Drie van zijn rugwervels braken door de impact, evenals twee van zijn nekwervels. De punt van de tafel liet een gapend gat achter in zijn hoofd.

Charlène lag in diepe slaap en droomde van Henk, het konijn en haar klasgenootje. Tobias gaf nog wat commando´s door via zijn headset.
Irene stapte tevreden in haar onesie, schonk zichzelf een cocktail in en zette haar favoriete serie aan. ‘Heerlijk, tijd voor mezelf.’

Wie een gat graaft

De aarde voelt zo warm op deze diepte. Hoe diep komt vorst eigenlijk? Ik hoop maar dat het gat diep genoeg is.
Ik was er bijna, het scheelde zo weinig. Het pistool stond zelfs tegen zijn slaap, ik hoefde alleen de trekker nog maar over te halen. Maar nee hoor, ik moest weer in die blauwe kijkers verdrinken.
Terwijl ik op zakenreis was had die hufter liggen ketsen met Vera. Van alle vrouwen en mannen die hij kon hebben, moest hij Vera pakken. Ik had haar nog zo gezegd op te passen voor hem. Hij was een schaamteloze charmeur en nu bleek het niet eens de eerste keer te zijn dat hij over de scheef was gegaan: Rogier, Saskia, Said en nu ook Vera.
Haar lichaam was al deels ontbonden toen ze haar na 3 weken uit het water haalden. Ze was klem komen te zitten tussen de wal en haar woonboot en was onder het ijs vast komen te zitten. Nadat de dooi had ingezet was haar lichaam omhoog komen drijven. De politie ging uit van een ongeval; uitgegleden en met haar hoofd tegen de stenen kade gevallen. Haar schedel was opengebarsten, ze was in het ijskoude water terecht gekomen en verdronken. Ze had geen schijn van kans gehad.
Haar moeder had aangifte gedaan op het politiebureau nadat ze een telefoontje had gekregen van Vera’s zus Kristina, die haar vertelde dat Vera nooit was komen opdagen. De buren was niets opgevallen, ze ging meerdere keren per jaar naar haar zus in Zweden, dus het viel niet op dat ze er niet was.
Ik had al vaker te horen gekregen dat hij niet te vertrouwen was. Mijn vroegere beste vriendin Saskia had me ook gewaarschuwd voordat de relatie serieus werd, maar ik dacht dat ze jaloers was. Dat kreng probeerde elke vent te pakken waar ik een oogje op had. Dat ze naar Alkmaar verhuisde kwam mij alleen maar goed uit. We waren toch al uit elkaar gegroeid en ik zag het echt niet zitten om iedere week vanuit Roelofarendsveen naar Alkmaar te reizen voor een kopje thee en alleen maar naar haar gezever te luisteren.
Rogier en Said hielden zich wat meer op de vlakte. Ze waren het er niet mee eens dat Michel en ik gingen samenwonen, maar ze durfden niets te zeggen. Zeker niet nadat hij ze letterlijk het huis had uitgetrapt, alleen maar omdat hij tegen hun relatie was. Ik mocht daarna niet meer met ze omgaan, onder bedreiging van een geheven hand.
Het bleek een verschrikking om met hem samen te wonen. Een wolf in schaapkleding. De verpakking mocht er dan lekker uitzien, de inhoud bleek bedorven.

Boven me klinkt het gedempte geluid van Michel die hardop loopt te vloeken en te stampen. De druk op m’n borst is niet meer te houden, het gebrek aan zuurstof is verstikkend.
Het was haar ketting. Ik zag het meteen.
In zijn nachtkastje vond ik haar ketting naast zijn pistool, ik herkende het paardje. Haar gelukspaardje had ze gezegd. Een cadeau van Erik die 3 jaar geleden was overleden aan ALS.
Ik had de ketting in zijn eten verstopt en hij liep rood aan toen het ding aan zijn vork hing.
‘Cheryl, wat de neuk?’ riep hij verbaasd.
‘Ja, inderdaad! Wat dacht je dan. Die domme brunette komt er nooit achter. Ik kan lekker los gaan als ze weg is. Saskia had gelijk, ik had moeten luisteren.’
Wild briesend stoof hij overeind, pakte zijn stoel en gooide hem in mijn richting. De stoel versplinterde tegen de muur achter me.
‘Saskia? Dat geile wicht heeft gekregen wat ze verdiende. Ze kon niet van me afblijven, dan kun je het krijgen ook.’
‘Wat bedoel je? Die ketting is van Vera, niet van Saskia.’
Hier was ik niet op voorbereid.
‘Saskia, Vera, Rogier, Said, Henk. Weet ik veel. Ze hebben er allemaal zelf om gevraagd. Eerst zitten ze me op te geilen, zelfs die twee homo’s, en vervolgens laten ze me zitten met een druiper.’
Uit het veld geslagen leunde ik tegen het keukenblad. Vanuit mijn ooghoek zag ik dat hij op me afkwam. Ik wist me nog net om te draaien, zijn hand greep zich vast in mijn haren. Met een stevige ruk trok hij me naar achteren en sloot zijn linkerarm om mijn hals. Snel probeerde ik naar achteren te trappen, maar meer dan zijn schenen raakte ik niet. Ik zette mijn nagels in zijn onderarm en met flinke kracht wist ik mijn hoofd uit zijn greep te krijgen en beet hard in zijn bovenarm.
Van onder mijn shirt trok ik het pistool en wees het in zijn richting. Zonder enkele ervaring met zo’n onding kwam ik best nog overtuigend over, vond ik.
‘Kijk, kijk. Doe maar stoer. Moet ik echt denken dat je op me gaat schieten, kom op. Ik ken je toch.’
Trillend op mijn benen richtte ik het wapen en haalde de trekker over. De terugslag deed me twee passen naar achter nemen.
Met een harde gil en een vloek greep hij naar zijn rechterarm en zakte jammerend door zijn knieën.
Misselijk van de kruitdamp en de spanning en met het pistool stevig in mijn handen kwam ik dichterbij en hield het tegen zijn slaap.
‘Cheryl, kom op. Dit kun je niet maken, doe het niet. Alsjeblieft, ik smeek je,’ zei hij snikkend terwijl hij omhoog keek en de tranen over zijn wangen rolden.
‘Je verdient niet beter, klootzak. De wereld zou er alleen maar beter op worden als jij er niet zou zijn.’
‘Toe nou, Ve…Cheryl. Ik hou toch van je, liefie.’
Voor ik het besefte liet hij zich tegen me aan vallen, struikelend viel ik tegen de keukenkastjes en plofte op de grond, het pistool was uit mijn handen gevallen.
Michel greep snel naar het wapen en sloeg met de kolf tegen mijn slaap. Het werd zwart voor de ogen, geen zicht meer op Michel.

Het duister zal nooit meer licht worden.
Het gewicht van een meter aarde is niet te dragen. Mijn hersenen werken nog even, een paar seconden. Genoeg om in paniek te raken, genoeg om te beseffen dat ik sterf.
Gelukkig hoef ik me niet eenzaam te voelen. Saskia, Rogier en Said liggen hier bij me.

4,226 totaal aantal vertoningen, 5 aantal vertoningen vandaag

Opgelicht

Peter scheurde met zijn sportauto door de straten van Amsterdam. Met zijn zwarte haar, gladgestreken door de vele gel, spiegelende zonnebril en sigaret in de mond reed hij soepel door het drukke verkeer en schroomde niet om regelmatig zijn claxon te gebruiken wanneer een andere bestuurder niet sportief genoeg naar zijn zin handelde.
Voetgangers draaiden hun hoofd bij elke keer dat de claxon afging en staarden de uitslover in zijn donkerrode Tesla cabrio na. Breed grijnzend keek hij het plebs aan terwijl hij de stereo nog harder zette, de muziek van Jay Z’s ’99 problems’ deed de ramen trillen als hij voorbij reed.
Vanaf de Stadhouderskade draaide hij, uiteraard met te veel wielspin, de Hobbemastraat op. Het was dan wel een jaar geleden sinds hij hier voor het laatst was, maar het voelde alsof hij nooit was weggeweest. Vorige week had hij zijn tijdelijke bewoner, Harry Vierling, gebeld vanuit Italië om door te geven dat hij zijn appartement weer nodig was. Een jaar onderduiken zou toch genoeg moeten zijn.
Dit was zijn gebied, zijn thuis: de P.C. Hooftstraat, de Nederlandse variant van Rodeo Drive. Highclass winkels, bekende Nederlanders die de straat op en neer paraderen met hun chihuahua of labradoodle om gezien te worden, aandachtsgeile acteurs die met de auto van de week door te straat rollen. Hij bewerkte ze allemaal en allemaal trapten ze in zijn spelletjes.
Opzichtig parkeerde hij zijn Tesla tussen twee geblindeerde SUV’s en stapte uit. Zijn antraciet Christian Dior pak, Italiaanse lakschoenen en roze stropdas maakte dat hij perfect paste in dit wereldje. Peter Smalling, oplichter extraordinaire.
Oplichten zat in zijn bloed, hij kon niet anders. Wat begon met een handeltje in valse bioscoopbonnen op zijn twaalfde, was uitgegroeid tot een serieuze business in Grieks onroerend goed. Een wereld waarin zoveel zwart geld in omloop was, dat Griekenland in één klap uit de crisis had kunnen zijn.
Een keiharde wereld, achter de schermen, met gesjoemel, dik gevulde blanco enveloppen onder de tafel om ambtenaren om te kopen, jezelf in de schulden werken in de hoop dat een deal goed uitpakt. Het was het risico waard geweest, nu vele miljoenen euro’s later
Contacten met de onderwereld was hem ook niet vreemd. Soms was er wat lichte drang nodig om bepaalde figuren wat enthousiaster te maken voor je deal.
Rustig paradeerde hij door de straat en bleef staan om een praatje te maken met een oude klant.
‘Van Vliet, hoe is het ermee? Bevalt het op Kos?’ vroeg hij aan Jack van Vliet, nadat hij zijn kenmerkende stevige handdruk had gegeven.
‘Kerel, ja prima. Prachtig stukje Griekenland. Jammer van die aanspoelende terroristen, maar dat had niemand kunnen zien aankomen,’ antwoordde hij met een grijns.
‘Mooi zo, ik moet verder. De groeten, hè.’ Niet te lang blijven hangen, straks stelt hij nog vragen. Peter wist wat hij verkocht had. Een stuk grond met zware vervuiling, een villa met verborgen gebreken, voor de koper ieder geval.
Hij stak de sleutel in de eiken houten deur naast Tiffany & Co, de smalle opgang was typisch Amsterdams. Van buitenaf was niet in te schatten naar wat voor weelde een enkele deur leidde. Twee jaar geleden had hij zijn buren uitgekocht en de muren laten doorbreken via een bevriende architect.
Een interieurarchitect had vervolgens, zonder budget, zichzelf laten gaan.
Peter hing zijn jasje over een veel te moderne stoel, schonk zichzelf een glas whisky zonder ijs en nam plaats in zijn hang-ei. Het briefje dat Harry had achtergelaten op de tafel onthulde niet veel nieuws: diverse telefoontjes, deurwaarders, lekker belangrijk. Hij maakte een prop van het papiertje en smeet het in de richting van de keuken.
Een harde knal maakte plots een eind aan de rust in huis.
Het slot van de voordeur was met een stormram gescheiden van het duurzame hout en de deur knalde tegen de muur.
‘Politie! Politie!’ schreeuwden de leden van het Snelle Interventie Eenheid. Het team was opgeroepen zodra de politie het telefoontje van Harry had gekregen, en stond al een uur opgesteld in twee geblindeerde SUV’s. De zes leden waren uit de auto’s gestapt toen ze zagen dat Peter zonder een enkel vermoeden de voordeur achter hem dicht deed. Met de pistoolmitrailleur in de aanslag, kogelwerende helmen en kogelwerende schermen stormden ze de woonkamer binnen.
‘Liggen! Op de grond, nu!’ blafte de leider.
Peter had niet eens de tijd om zich uit zijn hang-ei te werken en werd op de grond gedrukt door twee leden van het team, terwijl twee anderen de ruimte verkenden op mogelijke wapens.
Met de handen op de rug, zijn hoofd op de grond gedrukt door een knie van een arrestatie lid, werden de handboeien omgedaan en werd hij overeind geholpen. De rechercheurs waren ondertussen de woning binnengekomen en namen de Peter over van het team.
De P.C. Hooftstraat was ondertussen gevuld met politiewagen en een arrestantenbus. Het winkelend publiek werd door uniformen op afstand gehouden.
De oplichterspraktijken van Peter Smalling leken voorbij.
Van bioscoopbonnen tot luxe villa’s, van luxe appartement naar de gevangenis met alleen een vetplantje.

Tulpenmoord

Gijs was weer eens laat.
Het was al weken druk op het werk en voor de zoveelste keer had hij Henry moeten appen dat hij etenstijd niet zou halen.
De sneeuw maakte het er niet beter op. Een gekkenhuis op de weg door drie sneeuwvlokjes met een file van 30 kilometer als gevolg. Idioterie.
Met het bord op schoot zat Henry op de bank, RTL Boulevard op de achtergrond.
Terwijl hij de gortdroge kipfilet met de gebakken aardappeltjes en doperwten naar binnen werkte zat hij met zijn gedachte bij Charles en Gijs.
Gijs, Charles en Henry woonde al 7 jaar samen in Gasselte.
Tuurlijk, het was niet altijd vanzelfsprekend geweest in zo’n kleine gemeenschap om zo’n open relatie te hebben. De eerste 4 jaar was het vechten tegen de vooroordelen, roddels en achterklap. Het hielp ook niet dat Charles en Gijs van de stad kwamen en een kleine gemeenschap niet gewend waren.
Charles had nog zijn wekelijkse uitlaatklep als dragqueen in het Groningse uitgaansleven. “Al woon ik in Maastricht, m’n fans kunnen niet zonder Red Norma!”
Gijs had zijn ziel en zaligheid in de architectuur bij een klein kantoor in Amsterdam.
Henry had zijn baan als leraar op een vmbo in Assen, wat het soms alleen nog maar ongemakkelijker maakte qua vooroordelen natuurlijk, maar hij was kleine dorpen wel gewend en wist zich goed te mengen in het dorpsleven.
Na 4 jaar was het voor iedereen toch wel duidelijk dat zij niet die viespeuken waren van wie je de verhalen altijd in de krant las. Wat voor rare hobby’s ze er ook op na hielden.
Henry had het er altijd al vreselijk moeilijk mee dat Charles ieder weekend in Groningen optrad. Er waren zoveel meldingen geweest van knokpartijen en slechte drugs dat hij het hele weekend niet kon slapen en pas gerust was als Charles ’s maandagmorgens weer thuis was.
Gijs verklaarde hem altijd voor gek dat hij zich zo gek liep te maken, maar hij kon niet anders.
Het leek sowieso wel alsof het Gijs allemaal niets kon schelen. Gijs maakte zich alleen maar druk om zijn werk en zijn carrière als architect. Voor hem leek het allemaal routine geworden.
Vroeg opstaan, een snelle douche, soms een vluggertje voor het ontbijt, en dan maar weer naar Amsterdam Zuid-Oost. Weer 2,5 uur in die klote auto. Nog 5 weken voor hij zijn nieuwe baan in Assen kon betrekken. Nog 3 weken heen en weer tussen die idioten op de weg. Het is dat hij van Henry en Charles hield anders was hij mooi in Amsterdam gebleven.

Henry barstte voor de televisie in huilen uit van de zenuwen.
Charles was maandagochtend niet thuisgekomen. Hij had zaterdag en zondag optredens in de Rits en zou zoals gewoonlijk maandagochtend na de brunch thuis zijn. Zijn dragshows waren altijd een groot succes en dit weekend was de kaartverkoop weer bijzonder goed verlopen.
Henry had Gijs ’s middags op zijn werk gebeld.
‘Ik vertrouw het niet, Gijs. Ik heb een heel naar gevoel. Het is niets voor Charles om niets van zich te laten horen,’ snikte hij door de telefoon.
‘Rustig nou maar, schat. Het zal vast niets zijn. Echt. Het is toch niet de eerste keer dat hij later is?’ Gijs gaf wel antwoord maar zat ondertussen aan zijn tekeningen te werken.
‘Jawel, maar normaal krijg ik nog wel een lief berichtje van hem om me welterusten of goedemorgen te wensen, maar nu helemaal niets. Ik zeg je, er is wat mis.”
‘Wacht nou maar rustig af, hij zal zo heus wel komen. Ik zie je vanavond wel. Niet vergeten dat ik eerst nog naar die klant in Eindhoven moet dus ik ben rond zes uur thuis. Hou van je.’
‘Ik ook van j…’
Gijs had alweer opgehangen.

De Friese staartklok had net zeven keer schel geklonken toen de voordeurbel ging.
Henry haastte zich naar de deur.
‘Ben je je sleu….’ Hij maakte zijn zin niet af.
Voor de deur stonden twee politieagenten.
‘Meneer Maat?’ Vroeg één van de agenten.
‘Ja, dat ben ik.’ Henry keek vol verbazing naar de verregende personen. die onder het afdakje beschutting zochten van de natte sneeuw.
‘Mijn naam is Welling, politie Drenthe. Dit is mijn collega Mulder. Kent u ene Charles Hubbing?’
‘Ja.’
‘Mag ik even binnenkomen?’
‘Ja, ja…ehm,natuurlijk, komt u verder.’
Henry opende de deur verder, liet de agenten binnen en leidde hen naar de woonkamer. De agenten namen plaats op de bank, nadat hij snel zijn half lege bord op tafel had gezet.
‘Kan ik u wat te drinken aanbieden?’
‘Nee, dank u. Misschien kunt u beter even gaan zitten,’ zei agent Welling.
Verbouwereerd nam Henry plaats in de loveseat.
‘Wij kregen vanmiddag een melding binnen van een wandelaar die iets verdachts had gezien nabij de Lunsveenweg in Drouwen. Nader onderzoek ter plekke wees uit dat het levenloze lichaam van meneer Hubbing gevonden was. Hij werd ontdekt in hunebed D26. Zijn auto werd even verderop aan de Veldweg gevonden. Sporen op het lichaam wijzen op ernstige verwondingen. Wanneer heeft u meneer Hubbing voor het laatst gezien?’
Het was alsof Henry een klap met een voorhamer had gekregen. Al zijn energie leek uit zijn lichaam te zijn geslagen en het werd zwart voor zijn ogen.
‘Ik…ik…heb Charles vrijdag voor het laatst gezien…’ stamelde hij met tranen in zijn ogen, terwijl hij met zijn armen op de kussens leunde.
‘Hij had een optreden in Groningen dit weekend en zou vanmorgen thuiskomen……weet….weet u zeker dat het Charles is?’ De ongeloof en wanhoop stond op zijn gezicht.
‘Ik vrees van wel. Uit zijn persoonsgegevens en vingerafdrukken blijkt dit het geval te zijn. Ik verzoek u wel mee te komen naar het bureau om het lichaam te identificeren.’
‘Ja, natuurlijk. Mijn vriend is onderweg. Ik moet hem echt bellen. Hij is onderweg en staat in de file.’
‘Uw vriend?’ Vroeg de verbaasde agent.
‘Mijn vriend Gijs. Gijs Brink.’
‘Wat was uw relatie met meneer Hubbing?’
‘Hij is…was…mijn partner.’
‘Uw partner?’ Vroeg de agent wederom verrast.
‘Ja. Mijn partner. Charles en Gijs zijn mijn partners.’ Henry probeerde door zijn waterige ogen de agent aan te kijken, terwijl hij zijn neus afveegde met een zakdoekje die hij uit de bruin leren schooltas had gepakt die hij die middag naast de loveseat had gezet toen hij van school kwam.
Op dat moment klonk het gerinkel van sleutels en het geluid van de deur die open werd gedaan.
Met een gil stond Henry op en rende naar de voordeur om de verbaasde Gijs in zijn armen te vallen.
‘Charles is dood!’ Schreeuwde Henry het uit.
‘Wat?! Waar heb je het over. Doe eens rustig!’ Gijs duwde Henry van zich af en probeerde te begrijpen wat er aan de hand was.
‘Charles is dood! Ik zei toch dat ik een slecht gevoel had!’
De agenten waren inmiddels uit de woonkamer naar de gang gelopen.
‘Meneer..Bink?’
‘Brink. Wat is hier aan de hand?’
‘Mijn naam is Welling, politie Drenthe. Dit is mijn collega Mulder. We hebben het lichaam van meneer Hubbing gevonden. Hij is onder verdachte omstandigheden om het leven gekomen. Wanneer heeft u dhr. Hubbing voor het laatst gezien?’
‘Vrijdagochtend. We waren allebei vroeg wakker die ochtend en hebben nog even wat met elkaar gevoosd onder de douche voordat ik naar mijn werk ging.’
Welling en Mulder keken elkaar aan vanuit hun ooghoeken en probeerden professioneel over te komen. Het schaamrood op hun wangen verraadde hun ongemakkelijke positie.
‘Juist. Kunt u allebei meekomen naar het bureau voor identificatie?’
‘Ehm…ja, ja, natuurlijk. Moet dat nu?’ Vroeg Gijs.
‘U kunt morgenochtend langskomen om een verklaring af te leggen.’

Op het politiebureau hadden Henry en Gijs de afgrijselijke taak het lichaam van hun overleden partner te identificeren.
Een taak die Henry teveel werd en ondersteund door Gijs vertrokken ze uit het mortuarium nadat ze het opgezwollen gezicht van Charles hadden gezien. Nauwelijks herkenbaar, maar duidelijk Charles.
‘Wat is er in hemelsnaam gebeurd! Wie heeft dit gedaan?!’ Henry had het niet meer.
Gijs had zijn armen stevig om Henry geslagen en zat met betraande ogen tegenover rechercheur Lieftink in verhoorkamer 2 van het politiebureau.
‘Helaas kunnen we u nog niet veel meer vertellen dan wat wij hebben aangetroffen. Zoals u heeft kunnen zien is het lichaam zwaar verwond, wat zou kunnen duiden op een gevecht. De auto die vlakbij het hunebed stond is onderzocht op sporen en er is een koffer gevonden met daarin een jurk, pruik, knielaarzen en make-up artikelen. Tevens zijn er sporen van sperma gevonden. Van wie wordt nog onderzocht. Ook zijn deze op het lichaam gevonden.’
Rechercheur Lieftink schoof drie paarse tulpen over de tafel.
‘Wat moet dit voorstellen? Is dit een grap?’ Henry rukte zich uit de armen van Gijs en sprong omhoog.
‘Tulpen!’
‘Tulpen. Drie stuks. Paars. Heeft u enig idee wat dit zou kunnen betekenen?’
‘Geen idee, man! Hoe zou ik dat moeten weten?’
Gijs pakte Henry bij de arm en probeerde zijn partner tot bedaren te brengen.
‘Snap je het dan niet. Iemand probeert ons wat te vertellen.’ Zei Gijs kalm.
‘Vertellen. Hoe bedoel je?’ vroeg rechercheur Lieftink.
‘Drie paarse tulpen. Wij zijn met z’n drieën. Paars. Paars is de kleur van onze gemeenschap, zoals je wilt. Het is een boodschap.’
‘Is er enige aanleiding om te denken dat iemand jullie iets zou willen aandoen?’
‘Niet direct. Volgens mij niet. We hebben het niet makkelijk gehad maar wonen al jaren min of meer in harmonie.’
‘Min of meer?’
‘Er zijn er altijd geweest met bedenkingen, openlijk of niet, over onze relatie,’ zei Gijs.
‘Doe niet zo raar! Dat is toch allang achter ons. Dat hoofdstuk is toch allang gesloten.’ Henry keek verbaasd van Gijs naar rechercheur Lieftink.
‘Doe niet zo onnozel, Henry. Denk je nou echt dat de mensen ons hier accepteren. Dat schijnheilige gedoe is nooit anders geweest. Je draait je rug om en ze kleppen over je.’
‘Maar dat is toch geen reden voor…dit….dit kan niet waar zijn!’

Henry draaide zich nog maar eens een keer om en ging nog wat dichter tegen het warme lichaam van Gijs liggen.
De afgelopen dag was een nachtmerrie geweest waaruit hij maar niet kon ontwaken. Van slapen kwam het maar niet, hoe kon je slapen wanneer je iedere keer als je de ogen sloot je het gehavende gezicht van Charles voor je zag.
Gijs was een steun en toeverlaat geweest de afgelopen dagen en had de zorg voor Henry op zich genomen, die volledig was ingestort. Hij had altijd al kunnen terugvallen op Gijs in noodgevallen, die altijd de rust zelve leek, terwijl hij en Charles de dramaqueens van het stel waren.