Geluk voor een ander

Het was kerst 1983, ik weet het nog als de dag van gisteren.
Mijn vijfjarig broertje en ik hadden kerstavond gevierd samen met onze vader en moeder. Gevierd is een groot woord. Wegens geldgebrek was er geen kerstboom, laat staan cadeaus voor onder een denkbeeldige kerstboom. De kerstmaaltijd bestond uit boerenkool zonder worst, maar als verrassing mochten wij van moeder een glas chocolademelk. Na een spelletje domino werden we naar bed gebracht.
De volgende ochtend wierp ik al vroeg de sprei van mij af en opende de gordijnen, door het geluid dat van buiten kwam kon ik niet meer slapen.
Aan de binnenkant van mijn slaapkamerraam zat een dikke laag ijs, de meest prachtige ijsbloemen waren verdeeld over het kleine raampje van nog geen vierkante meter. Van moeder mocht de kachel ´s nachts niet aan, zo breed hadden wij het niet in die tijd. Vader werkte zich een slag in de rondte en was vaak weken van huis, het weinige geld dat er binnenkwam ging gelijk naar de huurbaas en met het geld dat overbleef konden we net genoeg eten voor de week halen. Onze buurvrouw was altijd heel behulpzaam geweest, zeker na het overlijden van haar man. Ze gaf mij en mijn broertje altijd stiekem wat tussendoortjes, later hoorde ik dat zij haar eigen laatste restjes aan ons gaf, alleen maar om de glimlach op onze gezichten te zien.
Gekleed in mijn dunne pyjama probeerde ik met mijn nagels een klein stukje van het ijs weg te krabben. Mijn vingers waren niet warm genoeg om het ijs te laten smelten en de wolkjes damp die mijn adem veroorzaakte bevroren bijna gelijk op het raam.
Door het geluid van het krabben werd ook mijn broertje wakker die in de kamer naast mij sliep. Om de kosten te besparen zat er een gat in de muur die onze kamer scheidde, hier stond de kachel in, zo hoefden we maar één kachel warm te stoken.
‘Wat doe je?’ fluisterde hij vanaf de andere kant van de kachel.
‘Niets, joh. Ga maar weer slapen,’ antwoordde ik zachtjes.
Bang om mijn ouders wakker te maken ging ik zo geruisloos mogelijk door. Door het kleine gaatje tussen de ijsbloemen kon ik net de straat in kijken. Het enige licht dat ik buiten kon zien was die van de straatverlichting. In de huizen aan de overkant van de straat was het nog donker, behalve bij een aantal die zich wat kerstverlichting konden veroorloven. Ondanks het gebrek aan verlichting zag de buitenwereld er lichter uit dan normaal.
‘Sneeuw,’ zei ik zo zachtjes mogelijk.
‘Echt waar?’ mijn broertje kon zijn enthousiasme amper in toom houden.
Het zag eruit als een sprookje: een dikke laag sneeuw lag op de auto’s, de straatklinkers waren verdwenen, de daken waren voorzien van een wit deken, het dak van de kerk iets verderop stak fier boven de rest van de daken als een wit baken van hoop. In de sneeuw liep een spoor van voetstappen met daar tussendoor een spoor dat leek op het spoor van twee slangen die elkaar passeerden gevolgd door een breder spoor.
Met een bonkend hart opende ik zachtjes mijn slaapkamerdeur. Mama’s slaapkamerdeur was nog dicht. Mijn broertje stond al op de kleine overloop bovenaan de trap, zijn lievelingsdoekje in zijn hand en duim in zijn mond. Ik sloot zijn hand in de mijne en samen liepen we zachtjes de onbewerkte houten trap af.
In de gang zag ik modderige voetstappen en strepen die richting de dichte woonkamerdeur gingen. Vanuit de woonkamer kwam gestommel, een schim was te zien door de donkere ruitjes in de deur.
‘Is dat de Kerstman?’ vroeg mijn broertje met grote ogen.
‘Dat kan toch helemaal niet,’ ik wilde eigenlijk zeggen dat dat niet kon omdat de Kerstman niet bestaat, maar ik kon me nog net inhouden.
Mijn broertje kneep steeds harder in mijn hand en mijn hart begon steeds harder te bonken, ondanks dat ik niet meer geloofde was ik toch benieuwd wat er aan de hand was.
Ik duwde zachtjes tegen de woonkamerdeur en probeerde om de hoek te kijken, mijn broertje wurmde zijn hoofd onder de mijne en tuurde in het duister.
In de woonkamer stond een duister figuur. Vlak naast hem stond een dennenboom, zijn magere takken voorzien van een paar lampjes, slingers en een paar witte kerstballen.
Achter ons stond opeens een ander donker figuur.
‘Wat doen jullie daar?’ vroeg de stem.
‘Kerstman?’ vroeg ik.
Met een ruk draaide de figuur in de woonkamer zich om.
‘Alexander, Bernard. Wat doen jullie al op?’ zei mijn vader verbaasd, terwijl hij het licht aandeed.
In de woonkamer stond vader, bezweet van de inspanning. Achter ons stond moeder, met twee cadeaus onder haar armen, klaar om onder de boom gezet te worden.
Ondanks dat hierboven natuurlijk (grotendeels) verzonnen is, ben ik mijn ouders enorm dankbaar. Hoe moeilijk het ook geweest moet zijn om in moeilijke tijden je kinderen iets te geven, die zelf geen benul van waarde hebben, terwijl je zelf de maand niet eens sluitend krijgt. Jezelf wegcijferen voor een glimlach op het gezicht van een ander. Kerst in mijn kinderjaren, ik zal het nooit vergeten.

Fijne Kerst.

Auteur: alexroessen

Leiden, 1973 Overdag besteed ik mijn tijd als bouwkundig tekenaar op een architectenbureau, maar 's avonds timmer ik aan de weg als schrijver van korte verhaaltjes of columns. Ik woon samen met mijn partner Yfke en onze kat Abby in de Duin- en Bollenstreek. Mijn zoon Jordi verblijdt ons zo nu en dan ook met zijn gezelschap en maakt ons gezinnetje compleet. Dit is mijn persoonlijke pagina, hier kun je korte verhaaltjes vinden, wekelijkse blogs of andere creatieve creaties.